|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
Welkom op Emarket Financieel,
| |||||||||||||||||||||||||||||
|
-
80% of meer |
: 100% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen; |
|
-
65%-80% |
: 72,5% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen; |
|
-
55%-65% |
: 60% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen; |
|
-
45%-55% |
: 50% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen; |
|
-
35%-45% |
: 40% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen; |
|
-
25%-35% |
: 30% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen; |
|
-
15%-25% |
: 20% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen. |
De grondslag voor het
arbeidsongeschiktheidspensioen is gelijk aan het 12 maal het vaste
maandloon dat van toepassing is op het moment dat werknemer arbeidsongeschikt
wordt, verhoogd met 8% vakantie-uitkering.
De door werknemer uit hoofde van
de WAZ en andere arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen te ontvangen uitkeringen
worden in mindering gebracht op het arbeidsongeschiktheidspensioen.
Gedurende het eerste jaar van de
arbeidsongeschiktheid worden de te ontvangen uitkeringen aangevuld tot 100% van
het vaste maandloon op het moment dat werknemer arbeidsongeschikt wordt.
De pensioenen worden in gelijke
maandelijkse termijnen bij achterafbetaling uitgekeerd.
De pensioenen zullen na ingang zoveel
mogelijk waarde- of welvaartsvast worden gehouden. Voor het indexeren van de
pensioenen zal worden uitgegaan van een door het Centraal Bureau voor de
Statistiek periodiek gepubliceerd indexcijfer. Uiterlijk op de ingangsdatum van
het pensioen zal door werkgever worden beslist welk indexcijfer voor de
uitkeringsperiode bepalend zal zijn voor het indexeren van de pensioenen.
Voorzover dit het gevolg is van de
indexering mogen het ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en wezenpensioen
meer bedragen dan respectievelijk 100%, 70% en 14% (voor een volle wees: 28%)
van het pensioengevend loon.
De door werknemer tijdens de voor
de pensioenopbouw in aanmerking te nemen dienstjaren elders (bijvoorbeeld in
verplicht gestelde bedrijfs- of beroepspensioenregelingen) opgebouwde
pensioenen worden in mindering gebracht op de uit hoofde van deze
pensioenovereenkomst opgebouwde pensioenen.
a. Indien de pensioenopbouw
anders dan door overlijden vóór pensioendatum wordt stopgezet, verkrijgt
werknemer een premievrije aanspraak op evenredig ouderdomspensioen en tijdelijk
ouderdomspensioen als bepaald in artikel 8 van de PSW. Werknemer zal tenminste
een tijdsevenredige aanspraak op ouderdomspensioen en tijdelijk
ouderdomspensioen ontvangen.
b. De partner van werknemer ontvangt
een premievrije aanspraak op nabestaandenpensioen, waarvan de hoogte door de
uitvoerder van de regeling naar redelijkheid zal worden bepaald.
a. Indien werknemer na
het beëindigen van de dienstbetrekking een nieuwe dienstbetrekking aangaat bij
een andere werkgever, heeft werknemer het recht om de waarde van de bij
werkgever opgebouwde pensioenaanspraken over te laten dragen naar de
pensioenuitvoerder van de nieuwe werkgever. Werknemer zal hiertoe binnen twee maanden na deelname aan de
pensioenregeling van de nieuwe werkgever een schriftelijk verzoek moeten doen
aan de pensioenuitvoerder van de nieuwe werkgever. De overgedragen waarde wordt bij de pensioenuitvoerder van de
nieuwe werkgever omgezet in aanspraken die
meetellen in de pensioenregeling van de nieuwe werkgever. De wijze waarop de
waardeoverdracht plaatsvindt alsmede het bepalen van de overdrachtswaarde
geschiedt overeenkomstig de ter zake geldende wettelijke voorschriften.
De partner moet schriftelijk met de waardeoverdracht instemmen.
Het na ontbinden van het huwelijk, geregistreerd partnerschap of gezamenlijke
huishouding aan de gewezen partner toekomende nabestaandenpensioen, zoals
omschreven in artikel 11 van deze pensioenovereenkomst, komt niet in aanmerking
voor waardeoverdracht naar de pensioenuitvoerder van de nieuwe werkgever.
b.
Indien werknemer in een dienstbetrekking bij een vorige werkgever premievrije
pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft werknemer het recht om de waarde van
deze pensioenaanspraken te laten overdragen naar de (pensioenuitvoerder van de)
huidige werkgever.
Waardeoverdracht naar eigen beheer is slechts mogelijk indien de
pensioentoezegging van de vorige werkgever voldoet aan de voorwaarden van
artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de PSW. De wijze waarop de
waardeoverdracht plaats vindt alsmede het omzetten van de overgedragen waarde in aanspraken die meetellen in de pensioenregeling geschiedt overeenkomstig de ter zake geldende
wettelijke voorschriften.
Voorzover dit het gevolg is van waardeoverdracht van bij een vorige werkgever
opgebouwde pensioenaanspraken, mogen het ouderdomspensioen,
nabestaandenpensioen en wezenpensioen meer bedragen dan respectievelijk 100%,
70% en 14% (voor een volle wees: 28%) van het pensioengevend loon.
a.
Indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap anders dan door overlijden
wordt verbroken, worden aan de gewezen echtgenoot/geregistreerde partner
premievrije aanspraken op bijzonder nabestaandenpensioen verleend in
overeenstemming met artikel 8a van de PSW.
b.
Indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap anders dan door overlijden
wordt verbroken nadat de dienstbetrekking tussen werkgever en werknemer is
beëindigd, verkrijgt zijn gewezen echtgenoot/geregistreerde partner een
aanspraak op bijzonder nabestaandenpensioen. Het bijzonder nabestaandenpensioen
is gelijk aan het nabestaandenpensioen dat de voormalige werknemer heeft
verkregen bij het beëindigen van zijn dienstbetrekking.
c.
Het hiervoor bepaalde vindt geen toepassing, indien de voormalige
echtgenoten/geregistreerde partners bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij
geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding anders overeenkomen
of zijn overeengekomen. De overeenkomst is slechts geldig indien daaraan een
verklaring van werkgever dan wel pensioenuitvoerder is gehecht waaruit blijkt
dat deze bereid is het uit de afwijking voortvloeiende pensioenrisico te
dekken.
d.
Werkgever verstrekt aan de gewezen echtgenoot/geregistreerde partner een bewijs
van diens aanspraak.
e.
Indien werknemer en zijn partner, met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde,
niet langer duurzaam samenleven zal overeenkomstig het voorgaande een aanspraak
op bijzonder partnerpensioen worden vastgesteld.
f.
Indien als gevolg van de beëindiging van het huwelijk/geregistreerd
partnerschap anders dan door overlijden dan wel na scheiding van tafel en bed
de (gewezen) echtgenoot/geregistreerde partner rechtstreeks tegenover werkgever
aanspraak kan maken op uitbetaling van een gedeelte van het opgebouwde
ouderdomspensioen dan wel tijdelijk ouderdomspensioen, dient deze geheel ten
genoegen van werkgever de nodige gegevens te verstrekken ter bepaling van de
omvang van zijn aanspraken. Werkgever zal daarbij handelen overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding.
Indien de toepassing van de Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding
door partijen is uitgesloten, is werkgever op geen enkele wijze verplicht tot
rechtstreekse uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen dan wel
tijdelijk ouderdomspensioen aan de (gewezen) echtgenoot/geregistreerde partner.
a.
Werknemer heeft het recht om de pensioendatum in overleg met werkgever geheel
of gedeeltelijk te vervroegen binnen de daarvoor geldende fiscale grenzen. De
opgebouwde pensioenaanspraken worden dan actuarieel herrekend met inachtneming
van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. Het vervroegen van de
pensioendatum is mogelijk indien en voorzover de dienstbetrekking wordt
beëindigd. Bij het vervroegen van de pensioendatum wordt de actuariële waarde
van het tot dat moment opgebouwde ouderdomspensioen en tijdelijk
ouderdomspensioen aangewend als koopsom voor een direct ingaand
ouderdomspensioen en tijdelijk ouderdomspensioen. Het nabestaandenpensioen en
wezenpensioen zullen worden aangepast aan het herrekende ouderdomspensioen. De
partner moet schriftelijk instemmen met het aanpassen van het
nabestaandenpensioen.
b.
Werknemer heeft het recht om pensioendatum in overleg met werkgever, eventueel
gedeeltelijk, tot uiterlijk de 70-jarige leeftijd van werknemer uit te stellen.
Bij het uitstellen van pensioendatum worden de fiscale grenzen in acht genomen.
Het uitstellen van pensioendatum is slechts mogelijk indien en voorzover
werknemer in een dienstbetrekking werkzaam blijft. Bij het geheel of
gedeeltelijk beëindigen van de dienstbetrekking tijdens de uitstelperiode,
zullen het ouderdomspensioen en tijdelijk ouderdomspensioen direct ingaan voor
het deel waarvoor de dienstbetrekking is beëindigd. Indien werknemer inmiddels
in een andere dienstbetrekking werkzaam is, zal werkgever doorlopend toetsen of
en in hoeverre werknemer nog in dienstbetrekking werkzaam is.
Het tijdelijk ouderdomspensioen zal in de uitstelperiode met inachtneming van
algemeen aanvaarde actuariële grondslagen worden herrekend. Nadat het fiscaal
maximaal toelaatbare tijdelijk ouderdomspensioen is bereikt zal het meerdere
worden omgezet in ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen. Het
ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen mogen hierdoor echter niet uitgaan
boven respectievelijk 100% en 70% van het pensioengevend loon.
Voor het gedeelte waarvoor de dienstbetrekking in de uitstelperiode in stand
blijft, zal de opbouw van ouderdomspensioen worden voortgezet en zal het
opgebouwde ouderdomspensioen met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële
grondslagen worden herrekend. Het herrekende ouderdomspensioen mag niet uitgaan
boven 100% van het pensioengevend loon.
Op het moment dat het ouderdomspensioen de 100%-grens bereikt, zullen het
ouderdomspensioen en het tijdelijk ouderdomspensioen direct ingaan.
Het nabestaandenpensioen en wezenpensioen zullen worden aangepast aan het
herrekende ouderdomspensioen.
Onverminderd hetgeen overigens in
deze pensioenovereenkomst is bepaald, heeft werknemer de hierna volgende
keuzemogelijkheden. Indien de rechten van een derde (bijvoorbeeld de partner)
worden aangetast als gevolg van een door werknemer te maken keuze, bestaat de
keuzemogelijkheid slechts indien de derde daarmee schriftelijk instemt.
Werknemer heeft het recht om de
hoogte van de uitkeringen van het ouderdomspensioen te laten variëren binnen de
verhouding 100:75. De laagste uitkering mag niet lager zijn dan 75% van de
hoogste uitkering. De mate van variatie wordt uiterlijk op de pensioendatum
vastgesteld.
Voorzover dit het gevolg is van
het variabiliseren van de uitkeringen mag het ouderdomspensioen méér bedragen
dan 100% van het laatste pensioengevend loon.
Werknemer heeft uiterlijk tot
pensioendatum het recht het nabestaandenpensioen geheel of gedeeltelijk, maar
maximaal tot 50% van het pensioengevend loon, om te ruilen in een hoger of
eerder ingaand ouderdomspensioen. Voorzover dit het gevolg is van de ruil van
nabestaandenpensioen mag het ouderdomspensioen méér bedragen dan 100% van het
laatste pensioengevend loon.
Werknemer heeft uiterlijk tot
pensioendatum het recht om ouderdomspensioen te ruilen voor nabestaandenpensioen.
Het nabestaandenpensioen kan na een dergelijke ruil niet méér bedragen dan 70%
van het laatste pensioengevend loon.
De ruil vindt plaats op basis van
algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. Het verlies aan pensioen dat het
gevolg is van de ruil van pensioenaanspraken kan niet worden gecompenseerd.
De pensioenen zullen door
werkgever volledig in eigen beheer worden gehouden.
Met het ondertekenen van deze
pensioenovereenkomst verklaart werknemer dat hij/zij direct of indirect houder
is van tenminste 10% van het geplaatste kapitaal van ……………… BV (naam werkgever)
en dat hij er mee instemt dat de pensioentoezegging niet wordt uitgevoerd
overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de PSW.
Werkgever en werknemer kunnen
overeenkomen dat de toegekende pensioenaanspraken geheel of gedeeltelijk zullen
worden verzekerd bij een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij welke
voldoet aan de daaraan op grond van de PSW en de Wet LB te stellen eisen.
De aan deze pensioenovereenkomst
te ontlenen pensioenaanspraken kunnen niet worden afgekocht, vervreemd of
prijsgegeven, dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid worden,
anders dan in de gevallen voorzien bij of krachtens de PSW.
a.
Werknemer heeft het recht om extra dienstjaren in te kopen voorzover deze
volgens artikel 10a, eerste lid, van het UBLB kunnen worden aangemerkt als
diensttijd welke bij werkgever is doorgebracht.
b.
Werknemer heeft het recht om de vóór 8 juli 1994 in Nederland bij andere
werkgevers doorgebrachte dienstjaren in te kopen voorzover werknemer
aannemelijk kan maken dat er als gevolg van het ontbreken van die dienstjaren,
gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige werkgever, sprake is van een
pensioentekort.
De kosten van een inkoop van
dienstjaren zijn volledig voor rekening van werknemer. Werkgever kan besluiten
om de kosten van de inkoop geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening te nemen.
Onverminderd artikel 4, onderdeel c,
van deze pensioenovereenkomst heeft werknemer het recht om de pensioenopbouw in
aansluiting op ontslag uit de dienstbetrekking gedurende 3 jaren op vrijwillige
basis voort te zetten onder de daaraan door de Minister van Financiën op de
voet van artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, laatste zinsnede, van het
UBLB gestelde voorwaarden.
De kosten van de vrijwillige
voortzetting zijn volledig voor rekening van werknemer. Werkgever kan besluiten
om de kosten van de voortzetting geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening te
nemen. Werknemer betaalt zijn bijdrage rechtstreeks aan werkgever.
Afgezien van de kosten van inkoop
van dienstjaren als bedoeld in artikel 16 en de kosten van vrijwillige
voortzetting als bedoeld in artikel 17, zijn de kosten van de in deze
pensioenovereenkomst toegezegde pensioenaanspraken voor …..% voor rekening van
werkgever en voor …..% voor rekening van werknemer met dien verstande dat de
werknemersbijdrage nooit hoger zal zijn dan de bijdrage van de werkgever.
Voorzover in deze
pensioenovereenkomst niet anders is bepaald, zal de werknemersbijdrage in de
kosten van de pensioenregeling worden ingehouden op het loon.
Werkgever
kan, ingeval van een ingrijpende wijziging van omstandigheden als bedoeld in
artikel 2, zevende lid, van de PSW, de betaling van zijn verdere bijdragen
verminderen of geheel staken. De pensioenaanspraken worden in dat geval
aangepast aan de gewijzigde omstandigheden.
Indien de
resultaten van werkgever - uitsluitend ter beoordeling van werkgever - de
toegezegde aanspraken voor de toekomst niet meer toelaten, kan werkgever de
betaling van zijn verdere bijdragen verminderen of geheel staken. Werkgever
beraadt zich dan met werknemer en/of andere gerechtigden omtrent de aanpassing
van de toekomstige aanspraken aan de gewijzigde omstandigheden.
De aanspraken op ouderdomspensioen
en tijdelijk ouderdomspensioen van werknemer kunnen zonder toestemming van
diens partner niet bij overeenkomst tussen werknemer en werkgever of de
uitvoerder van de regeling worden verminderd anders dan bij afkoop zoals voorzien bij of krachtens de PSW,
tenzij de partners het recht op pensioenverevening ingevolge de Wet verevening
pensioenrechten bij scheiding hebben uitgesloten. In dat geval dienen de
huwelijkse voorwaarden of het echtscheidingsconvenant waaruit dit blijkt
overlegd te worden.
De aanspraak
op nabestaandenpensioen ten behoeve van de partner van werknemer kan zonder
toestemming van die partner niet bij overeenkomst tussen werknemer en werkgever
of de uitvoerder van de regeling worden verminderd anders dan bij afkoop zoals
voorzien bij of krachtens de PSW.
Indien de
sociale, fiscale of pensioenregelgeving wordt gewijzigd of een wettelijk
verplichte pensioenvoorziening wordt ingevoerd, kan werkgever deze
pensioenovereenkomst aanpassen indien en voorzover die wijziging of die
invoering de aanpassing noodzakelijk maakt. Onder een noodzakelijke aanpassing
wordt ook begrepen een aanpassing met het oog op voortzetting van de fiscale
faciliëring van de uit deze overeenkomst voortvloeiende pensioenrechten.
De hiervoor bedoelde aanpassingen
hebben geen gevolgen voor de op dat moment reeds opgebouwde pensioenaanspraken.
Bij verlaging van het loon worden reeds
opgebouwde pensioenaanspraken niet verlaagd.
Deze pensioenovereenkomst is
gelijk aan de door of namens de Staatssecretaris van Financiën gepubliceerde
modelpensioenovereenkomst met kenmerk “Modelpensioenovereenkomst
Belastingdienst, digra, eigen beheer, eindloon, 60 jaar, versie 5 december
2002, kenmerk 02-098”.
Werknemer zal werkgever tijdig op
de hoogte brengen van alle omstandigheden die voor de uitvoering van de
pensioenovereenkomst van belang kunnen zijn.
Deze pensioenovereenkomst is van
kracht met ingang van .. ……. 20.. (datum).
Aldus overeengekomen en in
tweevoud getekend te …………………(plaats), op .. ……… 20.. (datum).
Werkgever,
Werknemer,
……………….
BV
………………. (naam)
namens deze,
…………………...
…………………...
Modelpensioenovereenkomst
Belastingdienst
Digra, eigen beheer,
middelloon, 60 jaar
Versie 5 december 2002
Kenmerk 02-099
Pensioenovereenkomst voor digra
met pensioen in eigen beheer
De ondergetekenden:
1. …………… (naam) BV, fiscaal nummer
………………………, gevestigd te …………………. (vestigingsplaats), hierna te noemen “werkgever”,
hierbij vertegenwoordigd door haar bestuurder, de heer/mevrouw …………….(naam);
en
2. de heer/mevrouw …………………..(naam),
SoFinummer ………………., geboren in ……………. (geboorteplaats), op .. …………… 19..(geboortedatum),
wonende te ………………….(woonplaats), hierna te noemen “werknemer”,
verklaren dat zij, in aanvulling
op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, onder de hierna genoemde
voorwaarden een pensioenovereenkomst hebben gesloten.
a.
Pensioendatum: de eerste dag van de maand waarin werknemer de 60-jarige
leeftijd bereikt (1 …………… ….) (datum).
b. Partner:
- de persoon waarmee werknemer
is gehuwd (echtgenoot);
- de persoon waarmee werknemer
een geregistreerd partnerschap als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek heeft
gesloten (geregistreerde partner);
- de ongehuwde persoon, niet
zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste graad, met wie werknemer duurzaam
een gezamenlijke huishouding voert.
c.
Kind: het eigen kind of pleegkind van werknemer dat de leeftijd van 30
jaar nog niet heeft bereikt.
d.
WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
e.
Franchise: 100/70 van de uitkeringen voor een ongehuwde persoon als
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en vijfde lid, onderdeel a,
van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantie-uitkering.
f.
AOW: Algemene ouderdomswet.
g.
ANW: Algemene nabestaandenwet.
h.
PSW: Pensioen- en spaarfondsenwet.
i.
Wet LB: Wet op de loonbelasting 1964.
j.
UBLB: Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965.
Werknemer heeft aanspraak op een
levenslang ouderdomspensioen dat ingaat op pensioendatum.
Werknemer heeft ten behoeve van zijn
partner aanspraak op een nabestaandenpensioen dat ingaat direct na het
overlijden van werknemer. Er bestaat slechts aanspraak op nabestaandenpensioen
indien er tijdens de dienstbetrekking met werkgever daadwerkelijk een persoon
is die voldoet aan de in artikel 1, onderdeel b, opgenomen omschrijving
van een partner.
Het nabestaandenpensioen wordt
uitgekeerd tot de datum van overlijden van de partner.
Werknemer heeft ten behoeve van
ieder van zijn kinderen aanspraak op een wezenpensioen dat ingaat direct na het
overlijden van werknemer. Er bestaat slechts aanspraak op wezenpensioen voor
tijdens de dienstbetrekking met werkgever daadwerkelijk aanwezige kinderen die
voldoen aan de in artikel 1, onderdeel c, opgenomen omschrijving van een
kind.
Het wezenpensioen eindigt op de 30ste
verjaardag van het kind of bij eerder overlijden van het kind.
Werknemer heeft aanspraak op een
tijdelijk ouderdomspensioen dat ingaat op pensioendatum en dat eindigt in de
maand voorafgaand aan de maand waarin werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt
of bij eerder overlijden van werknemer.
Werknemer heeft ten behoeve van
zijn partner aanspraak op een nabestaandenoverbruggingspensioen dat ingaat
direct na het overlijden van werknemer en dat eindigt in de maand voorafgaand
aan de maand waarin de partner de 65-jarige leeftijd bereikt of bij eerder
overlijden van de partner.
Over een periode van
arbeidsongeschiktheid wordt de pensioenopbouw voortgezet, mits werknemer in die
periode een inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering ontvangt. Voor de
mate van arbeidsongeschiktheid wordt aangesloten bij het voor de WAZ vastgestelde
arbeidsongeschiktheidspercentage. Bij de voortgezette pensioenopbouw wordt
uitgegaan van het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage en het
maandloon dat van toepassing is op het moment dat werknemer arbeidsongeschikt
wordt. Bij wijzigingen in de mate van arbeidsongeschiktheid wordt de omvang van
de voortgezette pensioenopbouw naar rato aangepast.
De voortgezette pensioenopbouw bij
arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd op de feitelijke ingangsdatum van het
ouderdomspensioen, maar uiterlijk op de in artikel 1, onderdeel a,
vastgestelde pensioendatum.
Indien werknemer langer dan een
jaar arbeidsongeschikt is en in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de
WAZ, heeft werknemer aanspraak op een arbeidsongeschiktheidspensioen. Bij
wijzigingen in de mate van arbeidsongeschiktheid wordt de omvang van het
arbeidsongeschiktheidspensioen naar rato aangepast.
Het arbeidsongeschiktheidspensioen
wordt uitgekeerd tot de feitelijke ingangsdatum van het ouderdomspensioen, maar
uiterlijk tot de in artikel 1, onderdeel a, vastgestelde pensioendatum.
Voor de opbouw van de
pensioenaanspraken wordt uitgegaan van de pensioengrondslag. De
pensioengrondslag wordt vastgesteld op de ingangsdatum van deze overeenkomst en
daarna per 1 januari van elk kalenderjaar. Bij het vaststellen van de
pensioengrondslag wordt geen rekening gehouden met loonbestanddelen in natura.
De pensioengrondslag is gelijk aan
het pensioengevend loon van werknemer verminderd met de franchise. Onder
pensioengevend loon wordt verstaan het door werknemer uit hoofde van de
dienstbetrekking genoten loon in geld.
Bij verlaging van het
pensioengevend loon in de periode van 10 jaar direct voorafgaand aan de in de
pensioenregeling vastgestelde pensioendatum als gevolg van het vervullen van
een lager gekwalificeerde functie, of in geval van het vervullen van een
deeltijdfunctie van niet minder dan 50% van een voltijdfunctie, wordt de opbouw
van het pensioen voortgezet over het eerder genoten hogere pensioengevend loon.
Als perioden die meetellen als
dienstjaren dan wel als diensttijd worden in aanmerking genomen:
a.
de periode gedurende welke de dienstbetrekking heeft geduurd, daaronder
begrepen perioden van - al dan niet in deeltijd -:
1. ouderschapsverlof als bedoeld in
artikel 644 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
2. sabbatsverlof krachtens een
schriftelijk vastgelegde regeling van werkgever gedurende ten hoogste twaalf
maanden;
3. studieverlof voor cursussen, voor
opleidingen of studie voor een beroep, voor het op peil houden van de vakkennis
en voor cursussen, opleidingen of studie die door werkgever worden
gefinancierd;
4. verlof als bedoeld in artikel 7:1 en
volgende van de Wet arbeid en zorg gedurende ten hoogste achttien maanden;
met
dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de aldus in aanmerking te
nemen periode wordt verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor.
b.
perioden gedurende welke werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een
met werkgever verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat niet in Nederland is gevestigd,
voorzover hij/zij bij dat verbonden lichaam niet heeft deelgenomen aan een
pensioenregeling;
c.
perioden gedurende welke, in aansluiting op de in de onderdelen a en b
bedoelde perioden, na onvrijwillig ontslag inkomensvervangende,
loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen;
d.
dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal, als bedoeld
in de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b van de PSW, naar de huidige
werkgever of de pensioenuitvoerder van de huidige werkgever;
e.
perioden waarin werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verzorgd
dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, met dien verstande dat de
perioden waarin de kinderen die werknemer heeft verzorgd de leeftijd van zes
jaar hebben bereikt, meetellen voor de helft. Bij dienstbetrekkingen in
deeltijd wordt de aldus in aanmerking te nemen periode verminderd
overeenkomstig de deeltijdfactor.
De hierna omschreven omvang van de
pensioenen is uitsluitend van toepassing indien werknemer tot pensioendatum
onafgebroken in dienst van werkgever is geweest dan wel de pensioenopbouw
onafgebroken tot pensioendatum heeft voortgezet overeenkomstig de mogelijkheden
die deze overeenkomst daartoe biedt. Indien werknemer is overleden voor de
pensioendatum geldt de omschreven omvang van het nabestaandenpensioen of
wezenpensioen slechts indien werknemer tot het moment van overlijden in dienst
van werkgever is geweest. De pensioenen worden tijdsevenredig opgebouwd.
Indien het overeengekomen aantal
arbeidsuren per week lager is dan het bij werkgever voor een volledig
dienstverband gebruikelijke aantal arbeidsuren, wordt het pensioen naar
evenredigheid opgebouwd.
De in deze
regeling voor het ouderdomspensioen opgenomen maxima moeten worden opgevat
inclusief per dienstjaar 1/35 deel van de AOW-uitkering die voor het bepalen
van de franchise in aanmerking is genomen. Voor het nabestaandenpensioen en
wezenpensioen wordt rekening gehouden met respectievelijk 70% en 14% (voor een
volle wees: 28%) van dit bedrag per dienstjaar.
Werknemer bouwt op basis van het
middelloonstelsel elk jaar een ouderdomspensioen op van 2,25% van de voor dat
jaar geldende pensioengrondslag. Het jaarlijks uit te keren ouderdomspensioen
is gelijk aan de som van het in de opbouwjaren over de pensioengrondslagen
opgebouwde ouderdomspensioen.
Het ouderdomspensioen bedraagt
maximaal 100% van het pensioengevend loon.
Het nabestaandenpensioen bedraagt
70% van het ouderdomspensioen. Indien werknemer overlijdt voor de pensioendatum
wordt voor het nabestaandenpensioen uitgegaan van het ouderdomspensioen dat
opgebouwd had kunnen worden bij een ongewijzigde voortzetting van de
dienstbetrekking tot pensioendatum en het pensioengevend loon dat werknemer
binnen de vastgestelde loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen
bereiken.
Het nabestaandenpensioen bedraagt
maximaal 70% van het pensioengevend loon.
De rechten op nabestaandenpensioen
worden verminderd met de op basis van artikel 11 aan de gewezen partner
toekomende premievrije aanspraken op nabestaandenpensioen.
Het wezenpensioen bedraagt voor
ieder kind 14% van het ouderdomspensioen. Na het overlijden van beide ouders
van het kind wordt het wezenpensioen verdubbeld.
Indien werknemer overlijdt voor pensioendatum
wordt voor het wezenpensioen uitgegaan van het ouderdomspensioen dat opgebouwd
had kunnen worden bij een ongewijzigde voortzetting van de dienstbetrekking tot
de pensioendatum en het pensioengevend loon dat werknemer binnen de
vastgestelde loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken.
Het wezenpensioen bedraagt
maximaal 14% (voor een volle wees: 28%) van het pensioengevend loon.
Het tijdelijk ouderdomspensioen
bestaat uit het bij de opbouw van het ouderdomspensioen ingebouwde AOW-bedrag,
verhoogd met een premiecompensatie. Deze premiecompensatie is gelijk aan het
verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het
ouderdomspensioen voor en na de 65-jarige leeftijd. De premiecompensatie zal
worden gebruteerd indien en voorzover het netto pensioeninkomen van werknemer
vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd lager is dan na de 65-jarige
leeftijd.
Het tijdelijk ouderdomspensioen
wordt direct voorafgaand aan de pensioendatum opgebouwd. Over ieder op basis
van artikel 4, artikel 16, of artikel 17 in aanmerking te nemen dienstjaar
wordt een tijdsevenredig gedeelte van het tijdelijk ouderdomspensioen
opgebouwd, met dien verstande dat het opbouwpercentage per dienstjaar ten
hoogste 10% bedraagt.
Het
nabestaandenoverbruggingspensioen bestaat uit het gezamenlijke bedrag van 8/7
maal de nominale uitkering ingevolge de ANW, vermeerderd met de
vakantie-uitkering, verhoogd met premiecompensatie. De premiecompensatie is
gelijk aan het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over
het nabestaandenpensioen voor en na de 65-jarige leeftijd. De premiecompensatie
zal worden gebruteerd indien en voorzover het netto pensioeninkomen van de
partner vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd lager is dan na de
65-jarige leeftijd.
Het arbeidsongeschiktheidspensioen
per jaar bedraagt bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van:
|
-
80% of meer |
: 100% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen; |
|
-
65%-80% |
: 72,5% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen; |
|
-
55%-65% |
: 60% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen; |
|
-
45%-55% |
: 50% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen; |
|
-
35%-45% |
: 40% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen; |
|
-
25%-35% |
: 30% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen; |
|
-
15%-25% |
: 20% van de grondslag
voor het arbeidsongeschiktheidspensioen. |
De grondslag voor het
arbeidsongeschiktheidspensioen is gelijk aan het 12 maal het vaste
maandloon dat van toepassing is op het moment dat werknemer arbeidsongeschikt
wordt, verhoogd met 8% vakantie-uitkering.
De door werknemer uit hoofde van
de WAZ en andere arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen te ontvangen uitkeringen
worden in mindering gebracht op het arbeidsongeschiktheidspensioen.
Gedurende het eerste jaar van de
arbeidsongeschiktheid worden de te ontvangen uitkeringen aangevuld tot 100% van
het vaste maandloon op het moment dat werknemer arbeidsongeschikt wordt.
De pensioenen worden in gelijke
maandelijkse termijnen bij achterafbetaling uitgekeerd.
De pensioenen zullen na ingang
zoveel mogelijk waarde- of welvaartsvast worden gehouden. Voor het indexeren
van de pensioenen zal worden uitgegaan van een door het Centraal Bureau voor de
Statistiek periodiek gepubliceerd indexcijfer. Uiterlijk op de ingangsdatum van
het pensioen zal door werkgever worden beslist welk indexcijfer voor de
uitkeringsperiode bepalend zal zijn voor het indexeren van de pensioenen.
Voorzover dit het gevolg is van de
indexering mogen het ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en wezenpensioen
meer bedragen dan respectievelijk 100%, 70% en 14% (voor een volle wees: 28%)
van het pensioengevend loon.
De door werknemer tijdens de voor
de pensioenopbouw in aanmerking te nemen dienstjaren elders (bijvoorbeeld in
verplicht gestelde bedrijfs- of beroepspensioenregelingen) opgebouwde
pensioenen worden in mindering gebracht op de uit hoofde van deze
pensioenovereenkomst opgebouwde pensioenen.